Historie

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen

Aan het eind van de achttiende eeuw was Nederland een kleine natie aan de rand van het grote Europa.
Nederland werd gekenmerkt door zijn lokale en regionale vrijheid en onafhankelijkheid, gehandhaafd door handel en intellectuele vooruitstrevendheid.

In de achttiende eeuw was het bepaald niet vanzelfsprekend, dat regeringen er waren ten behoeve van het volk, met als taak dienstbaar te zijn aan het algemeen welzijn van de bevolking. In tegendeel: het volk was er om de soevereinen te dienen. Het was in die tijd niet gebruikelijk en soms zelfs niet zonder gevaar om het tegendeel te beweren.

Nederland kende in die tijd, en dat was revolutionair, een sfeer van vrijdenkers en democratie, een vrijzinnig-democratische humanitaire (patriottische) sfeer. Men streefde ernaar, en geloofde er in,

Jan Nieuwenhuijzen Jan Nieuwenhuijzen

In die tijd bracht sociale betrokkenheid een predikant en enkele eenvoudige klein-stedelingen ertoe om een genootschap te stichten dat zich richtte op bevordering van het algemeen volksgeluk met name door initiatieven te nemen op het terrein van de volksontwikkeling. In de gesprekskring met leden uit Monnickendam en Edam opperde de doopsgezinde predikant te Monnickendam, Jan Nieuwenhuijzen, het - in de sfeer van de tijd passende - plan om een genootschap voor volksontwikkeling te stichten. Het doel was om mensen die daartoe zelf niet de mogelijkheid hadden, te helpen om kennis te verwerven door hen te voorzien van (school)boeken die in eenvoudige taal geschreven waren. Dit initiatief werd concreet uitgewerkt door zijn zoon Martinus Nieuwenhuijzen, arts te Edam. Hij stelde voor om een genootschap te stichten met als doelstelling "de verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der jeugd als de voornaamste grondslag ter vorming, verbetering en beschaving van den burger". Tijdens de op 16 november 1794 in de doopsgezinde pastorie te Edam gehouden oprichtingsvergadering werd deze doelstelling aanvaard. Besloten werd tot oprichting van een "Genoodschap van Konsten en Wetenschappen, onder de zinspreuk: Tot Nut van 't Algemeen".

In navolging van dit initiatief ontstonden aanvankelijk in Noord-Holland, Friesland en Groningen, en vervolgens ook in de rest van Nederland boven de grote rivieren plaatselijke departementen van dit genootschap. Later volgde de oprichting van Nutsdepartementen in Zuid-Nederland en in Vlaanderen. De educatieve taken van het Nut werden na de onafhankelijkheid van België in Vlaanderen opgepakt en voortgezet door het in 1851 opgerichte Willemsfonds, thans gevestigd te Gent.

Ter concrete verbetering van de leefomstandigheden van de werkende bevolking werd sinds de oprichting van het Nut gestreefd naar bereikbaarheid van onderwijs voor iedereen door:

Eerste Algemene Vergadering, 1790 De eerste Algemene Vergadering in 1790. Het onderschrift van deze prent luidt: "Vergadering van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, gehouden in de Lutersche Oude Kerk, den 10 Aug. 1790".

Daarnaast werden vele educatieve- en voor de samenleving nuttige initiatieven genomen, zoals het stichten van bibliotheken, spaarbanken en verzekeringen, alsmede initiatieven op het terrein van de maatschappelijke zorg en het geven van cursussen op velerlei terrein (volksontwikkeling). Later zijn veel door het Nut genomen initiatieven door de overheid en andere organisaties overgenomen en voortgezet. Het Nut wordt sinds zijn oprichting gekenmerkt door de volgende aspecten:

Met de bovenstaande uitgangspunten organiseert het landelijke Maatschappijbestuur jaarlijks een congres met een lezing door een of meer eminente deskundige(n) over een maatschappelijk relevant thema. Daarmee en met het uitgeven van een jaarlijkse nieuwsbrief over het jaarthema wordt een bijdrage geleverd aan de maatschappelijke discussie van onze tijd. Het Maatschappijbestuur wil daarnaast de departementen stimuleren om dat ook in hun eigen omgeving te doen. Daarbij is het van belang om - zonder politieke of kerkelijke binding - alert in te spelen op de plaatselijke maatschappelijke ontwikkelingen. De departementen ontplooien vanouds en ook nu nog educatieve activiteiten ten behoeve van de mensen in hun omgeving. Dat gebeurt in de vorm van lezingen, cursussen, educatieve excursies, cultuurreizen en andere culturele activiteiten, soms ook door middel van subsidiëring van activiteiten van andere organisaties.

Landelijk secretariaat van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen

Door het Nut wordt aan de Universiteit van Utrecht bij de faculteit der Sociale Wetenschappen een bijzondere leerstoel in stand gehouden voor onderwijs in de 'Geschiedenis van het Onderwijs'. Deze leerstoel wordt op dit moment bezet door prof. dr. J.F.A. Braster.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen telt op dit moment ongeveer 80 plaatselijke departementen met in totaal ruim 8000 leden.

Het landelijk bureau van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen was voorheen gevestigd in het oorspronkelijke woonhuis van Martinus Nieuwenhuijzen te Edam. Door het externe secretariaat en de idem financiële administratie is het voor het Nut momenteel ongebruikt.

Jan Nieuwenhuizen Aanbieding beeld Jan Nieuwenhuize

Op 14 april 2007 werd bij de Doopsgezinde Kerk in Edam een beeld onthuld van Jan Nieuwenhuijzen, de geestelijke vader van het Nut. Het beeld is door de Maatschappij aangeboden aan het departement Edam t.g.v. het feit dat Edam 650 jaar geleden stadsrechten kreeg en om te benadrukken hoe belangrijk het is om werkelijk te gaan voor een idee. Jan Nieuwenhuijzen en zijn zoon Martinus hadden het idee dat er door betere educatie een betere toekomst zou komen met welvaart en welzijn voor iedereen. Zij zijn gegaan voor dat idee en hebben daarmee een belangwekkende volksontwikkeling op gang gebracht. Ook in onze tijd is het van belang te werken aan de ontwikkeling en ontplooiing en aan een éducation permanente. Hierbij kunnen wij onderscheid maken tussen het levenslang leren wat gericht is op na- en bijscholing in beroepsvaardigheden enerzijds en anderzijds de algemene ontwikkeling. Breedte-educatie noemt men dat in Vlaanderen; niet alleen levenslang leren, maar ook levensbreed. Het gaat om het vormings- en ontwikkelingswerk, dat mensen weerbaarder maakt in hun maatschappelijk functioneren, om het bevorderen van hun maatschappelijke participatie en het voorkomen dat mensen aan de zijlijn komen te staan en zich niet maatschappelijk kunnen ontplooien. In België wordt breedte-educatie als onderwijs beschouwd en navenant met subsidies gestimuleerd. In Nederland heeft men daarvoor de term ‘non formele educatie’ bedacht. In ons land worden organisaties als Volksuniversiteiten en Nutsdepartementen beschouwd als vriendelijke vrijwilligersorganisaties, die niet behoeven te worden gesubsidieerd.

Het Maatschappij-bestuur wil de departementen stimuleren met hun activiteiten in de eigen maatschappelijke, educatieve functie te vervullen en zo een actieve bijdrage te leveren aan de sociale cohesie in onze samenleving. Dat kan gebeuren door alert in te spelen op plaatselijke ontwikkelingen met educatieve activiteiten, zoals lezingen,cursussen, excursies, cultuurreizen. In de ogen van het Maatschappijbestuur is er voor het Nut nog een wereld te winnen. Dat wij ons daarvoor inzetten hebben wij willen symboliseren met de aanbieding van het standbeeld van Jan Nieuwenhuijzen, onze oprichter, in Edam.

Gijs Schilthuis, voorzitter

Foto's van historisch Nut-huis in Edam